Algemeen

"Katholieken gingen stiekem op blote voeten de straat op voor God"

In de 17de en 18de eeuw mochten katholieken in de Republiek hun geloof niet tonen. Maar dat deden ze natuurlijk toch, blijkt uit onderzoek van Carolina Lenarduzzi.

In Heiloo had een kapel gestaan. Katholieken reisden er nog altijd naartoe om op die plek te bidden en te picknicken. Op dit schilderij is een ruïne van die kapel afgebeeld. In werkelijkheid was er toen al niets meer van te zien
Familie op bedevaart in Heiloo (1630) door Gerrit Pietersz. de Jong

Katholieken moesten zich twee eeuwen lang gedeisd houden in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Ze mochten katholiek zijn, maar dan wel zonder uiterlijk religieus vertoon. Ongeveer de behandeling die Geert Wilders nu voorstelt voor moslims in Nederland.

Maar het bloed kroop waar het niet gaan kon. Natuurlijk verdween de uiterlijke kant van het katholicisme niet. Die werd eerder belangrijker. De katholieken cultiveerden in eigen kring precies datgene wat door de calvinisten verafschuwd werd: relikwieën, crucifixen, rozenkransen, wierook, liturgische gezangen. En stiekem voelden sommige calvinisten ook wel de aantrekkingskracht van typische ‘paperijen’, zoals prachtige kerkmuziek, wonderbaarlijke gebeurtenissen en spectaculaire duivelsuitdrijvingen.

Dat is zo ongeveer de conclusie van Carolina Lenarduzzi, die aan de Universiteit Leiden promoveerde op een historisch onderzoek naar de alledaagse cultuur van de katholieken in de Republiek.

De periode dat katholieken beperkt werden in het uiten van hun geloof begint in 1572, het jaar waarin de geuzen Den Briel innemen, en eindigt rond 1795, als de katholieken gelijke rechten krijgen. De mate van inperking en onderdrukking wisselde, want de Republiek was een unie van zelfstandige gewesten, die ieder op religieus gebied hun eigen beleid konden voeren.

Over Nederland wordt nu door Nederlanders vaak gezegd dat hier sinds de zeventiende eeuw een traditie is van religieuze verdraagzaamheid. „Dat is het beeld dat we graag van onszelf uitdragen”, zegt Lenarduzzi. „Als je kijkt naar reisverslagen van buitenlanders, zie je dat zij heel verbaasd zijn over hoeveel verschillende religies er hier naast elkaar leefden. Dus het was zeker bijzonder. Maar het was uiteindelijk niet veel meer dan gewetensvrijheid. Je mocht denken wat je wilde en je mocht achter de deur van je huis min of meer doen wat je wilde. Maar dat was voor katholieken natuurlijk veel te weinig. Die hadden de mis nodig, liturgische gezangen, en een met kunst versierde kerk voor al hun rituelen, zoals gedoopt worden, biechten, ter communie gaan. Dat mocht allemaal niet meer.”

Schuilkerken
De meeste NRC-lezers zullen wel bekend zijn met de schuilkerken, waarvan sommige nu nog bezocht kunnen worden, als museum (Ons Lieve Heer op Solder, Amsterdam) of grand café (Café Olivier, Utrecht). Lenarduzzi: „Al vanaf het begin waren er kleine huiskerkjes. Op een zolder, in een kelder, in een achterkamertje. Het beleid van de overheid was vaak om dat door de vingers te zien, meestal tegen betaling. Zonder dat dat enige zekerheid gaf. Als je een schout had die vervelend wilde zijn, kon je daar weinig tegen beginnen. Na de Vrede van Munster, in 1648, zie je dat er meer mag. Dan worden die grotere schuilkerken gebouwd.”

In de periode tot 1648, de zwaarste tijd voor de katholieken, was er vaak een verbod op religieuze bijeenkomsten, ook privé. Priesters mochten het priesterschap niet uitoefenen. Ze werden gevangen genomen, het land uitgezet. Later veranderde dat in een vaag gedoogbeleid voor Nederlandse priesters, en werden er vooral buitenlandse priesters opgepakt.

Lenarduzzi bestudeerde allerlei ego-documenten van katholieken: dagboeken, jaarboeken, memoires, autobiografische gedichten. Ook bekeek ze katholieke afbeeldingen uit die tijd: schilderijen, tekeningen, tegeltjes. Daaruit komt allereerst naar boven dat er een levendige „herinneringscultuur” ontstond. In memoires en gedichten en op schilderijen werd gedetailleerd vastgelegd hoe het interieur van de kerken er had uitgezien. Ook werden de routes en samenstelling van processies, die niet meer gehouden mochten worden, in gedichten of andere teksten minutieus beschreven. „Alles wat niet meer mocht, mocht nog wel herinnerd worden. En mocht als herinnering opgeschreven of geschilderd worden.”

De routes van processies kon je nog altijd stiekem lopen, in je eentje, of met een paar mensen samen. Dat gebeurde veel. Soms op blote voeten. Je mocht je op straat niet religieus kleden, maar er was geen wet die blote voeten verbood.

Kloppen en relikwieën
En er was één groep die er wel in slaagde om katholiek gekleed over straat te gaan: de ‘kloppen’, vrouwen die hun leven in dienst stelden van het katholieke geloof en de goede werken. „Hun kleren waren zo sober, zo ouderwets, en expres zo verkreukeld en ongestreken, dat ze daarmee enorm opvielen. Deze kloppen creëerden zo een katholieke aanwezigheid op straat. Dat zat de calvinisten heel erg dwars, zonder dat ze er veel tegen konden beginnen. Want die vrouwen deden niets wat strafbaar was.” Het ging om aanzienlijke aantallen: er liepen in de Republiek een paar duizend kloppen rond.

In het katholicisme waren relikwieën heel belangrijk: stukjes bot of kleding van heiligen, of bijvoorbeeld splinters van het kruis van Jezus, die op een speciale plek in de kerk bewaard werden en het gebouw daarmee tot een heiligdom maakten. Toen alle kerken onteigend werden, werden de meeste relikwieën snel in veiligheid gebracht. ‘Relikwie-redders’ smokkelden die spullen naar het buitenland of brachten ze onder in geheime verzamelingen in Nederland.

Sommige relikwieën gingen in die periode van hand tot hand. De betekenis van de relikwieën veranderde daarmee, volgens Lenarduzzi. Van voorwerpen die onlosmakelijk verbonden waren met een gewijde plaats (een kerk), werden het voorwerpen met een reisgeschiedenis: een verhaal dat iets vertelde over geloof, clandestiniteit en overleven. Katholieken geloofden dat relikwieën „zelf bepaalden waar ze wilden worden vereerd”, dus elke reis die zo’n relikwie maakte had betekenis.

Lichaam niet in ontbinding
De behoefte aan wonderen was onverminderd groot. Wonderverhalen waren ook prima propagandamateriaal. In de dagboeken en memoires wordt geregeld verteld hoe sommige zeer vrome katholieken na hun dood een lichaam achterlieten dat niet in ontbinding raakte. Soms liet de (calvinistische) overheid dan een medisch onderzoek uitvoeren. In een van die onderzoeksrapporten wordt geconstateerd „dat het licham door practijcq van menschen [door menselijk ingrijpen] tot nu toe ten dele van de volcome verrottinge bewaert is” en „dat het resterende in den tijt van een jaer, luttel min ofte meer, sal vermeullent [verrot] ende vergaen zijn.” De geur die uit het betreffende lijk opsteeg werd als „onlieffelijc” omschreven. Ook kwamen tijdens het medisch onderzoek „kleyne vlieghskens” tevoorschijn.

Een ander type wonder dat het goed deed, is dat van zeer godvruchtige mensen die lange tijd niet aten, maar toch in leven bleven. Toen zich onder calvinisten ook zo’n geval voordeed, een vrouw die zestien jaar niet gedronken of gegeten zou hebben, ging een groepje katholieken haar inspecteren. Aan de manier waarop de vrouw met haar ogen draaide, zagen ze meteen dat hier geen sprake was van een wonder: dit was een heel ordinair geval van bezeten zijn door een duivel.

Duivelsuitdrijvingen speelden ook een rol in de propagandaoorlog tussen katholieken en calvinisten. Lenarduzzi: „De calvinisten hadden het exorcisme in de ban gedaan. Dat was bijgeloof. Maar gewone mensen bleven nog heel gevoelig voor het idee dat duivels en demonen bezit van je konden nemen. Allerlei psychiatrische ziektebeelden, die in die tijd niet goed verklaard konden worden, werden gezien als het werk van een duivel of demon.”

Duivelsuitdrijvingen
Katholieke priesters deden nog wel, meestal in het geheim, aan duivelsuitdrijving. Wanhopige calvinisten schakelden weleens zo’n priester in, soms openlijk. „Er is een geval bekend in Utrecht, rond 1615, van een duivelsuitdrijving met publiek erbij. Eerst probeerde een gereformeerde predikant, die tegen zijn eigen kerk in aan exorcisme deed, een gereformeerde Utrechtse burger te exorceren. Dat lukte niet. Vervolgens werd daar een katholieke priester bij gehaald. Toen lukte het wel.”

Welke katholieke zaken waren er nog meer aantrekkelijk voor calvinisten? „Een van de aantrekkelijkste kanten van het katholicisme was, ook volgens de katholieken zelf, dat de katholieke kerk een eenheid was zonder twisten en afscheidingen”, zegt Lenarduzzi: „En verder was er natuurlijk die rijke liturgische muziektraditie. Calvinisten mochten tijdens een dienst alleen nog maar psalmen zingen, eenstemmig en heel langzaam, dat klonk verschrikkelijk. Sommige calvinisten kwamen daartegen in opstand.”

Waarom waren die uiterlijkheden (objecten, handelingen, zintuiglijke ervaringen) zo belangrijk? Dat vroeg Lenarduzzi, die zichzelf als „seculier” omschrijft, zich ook af. In haar dissertatie schrijft ze: „Hoe viel het voor gewone gelovigen te rijmen dat een eeuwige, onveranderlijke God zich juist in materia manifesteerde, terwijl diezelfde voorwerpen per definitie aan verval, en dus verandering, onderhevig waren?”

God dichtbij
Haar antwoord: „Ik denk dat die dingen het geloof tastbaar maakten. Een relikwie, bijvoorbeeld, kun je aanraken. En in een houdertje op je borst dragen. Wijwater kun je voelen, wierook kun je ruiken. Etcetera. Al die dingen brengen het geloof en God heel dichtbij. Daarnaast denk ik dat ze daar óók zo sterk aan vasthielden, omdat het zo onderscheidend was: ze cultiveerden wat de tegenpartij afwees.

„Verder is duidelijk dat al die rituelen en symbolen voor katholieken een bepaalde eeuwigheidswaarde vertegenwoordigden. Die rituelen werden al eeuwenlang uitgevoerd, die muziek werd al eeuwenlang gezongen. En niet alleen hier, maar in de hele internationale katholieke gemeenschap, waar ter wereld ook. Dat gaf een enorm gevoel van verbondenheid met de rest van de katholieke wereld en met het katholieke verleden. Voor de katholieken die ik heb onderzocht, was dat een belangrijk deel van hun geloofsbeleving.”

Is dat niet van alle tijden: dat mensen lijken te vergeten dat hun religieuze symbolen alleen maar symbolen zijn? Lenarduzzi: „Dat is onze seculiere blik van nu. In die tijd bepaalde religie je hele leven. Dat alleen al maakte dat het een heel andere beleving was dan wat een seculier als ik zich daar nu bij kan voorstellen. Hoewel ik tijdens dit onderzoek merkte dat ik daar soms ook enorm in meegezogen kon worden, in hoe dat werkte. Dat was voor mij persoonlijk een verrassende uitkomst van dit onderzoek.”

Relevante artikelen uit diverse bronnen

Collecties in categorie

Algemeen

In deze collectie verschijnen algemene berichten over de verhouding rooms-katholieken en protestanten die niet in een specifieke collectie thuishoren.

Wat is katholiek?

In de volksmond wordt het woord katholiek meestal gebruikt als een synoniem voor de Rooms-Katholieke kerk. Dit is niet juist. In deze collectie wordt duidelijk gemaakt wat het onderscheid is. De formele betekenis van het woord katholiek is universeel of algemeen.

Wat is rooms-katholiek?

Rooms-katholiek is niet hetzelfde als katholiek. Wel behoren rooms-katholieke christenen tot de katholieke kerk, omdat zij Christus als het middelpunt van de kerk beschouwen. De positie van de Paus, de verering van Maria en een aantal leerstellingen vastgelegd in encyclieken en in concilie-besluiten, vormen de grote verschillen met de protestantse kerken.

Wat is protestant?

De protestanste kerken zijn ontstaan na de Reformatie. De bekendste reformatoren waren Luther, Calvijn en Zwingli. Nadat de rooms-katholieke kerk afstand genomen had van de standpunten der reformatoren tijdens het Concilie van Trente, zijn de protestantse kerken ontstaan. In de loop der jaren zijn dat in Nederland, door kerkscheuringen, verschillende denominaties geworden, zoals, Protestantse Kerk in Nederland, Hersteld Hervormde Kerk, Gereformeerde Gemeenten, Christelijk Gereformeerde Kerk en nog andere.

Vijf sola's

In de Reformatie is met name opgeroepen om terug te gaan naar de echte kenmerken van de Vroege Kerk. Met name de mistoestanden in de vorm van aflaten, goede werken en heiligverklaringen werden aan de kaak gesteld. Daartegenover werden, op de Bijbel gebaseerde, waarheden zoals het Woord, genade, geloof, Christus en de glorie van God op de voorgrond geplaatst.

Rechtvaardiging & heiliging

Luther ontdekte bij de bestudering van de brief aan de Galaten hoe zondige mensen rechtvaardig voor God kunnen worden. Hij ontdekte hierin dat hetgeen geleerd werd door Rome in tegenstelling was met hetgeen Gods Woord hierover zegt. De Bijbel zegt dat we alleen door het geloof in Jezus Christus gerechtvaardigd kunnen worden.

Belijdenisgeschriften

Zowel de kerken van de Reformatie als de rooms-katholieke kerk hebben belijdenisgeschriften. Bij de Nederlandse protestantse kerken moet dan met name gedacht worden aan de Heidelbergse Catechismus, de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels. Bij de Rooms-Katholieke kerk kennenwe de Cathechismus van de Rooms-Katholieke kerk, diverse pauselijke encyclieken en besluiten van concilies.

Kerkorde, liturgie en ambten

Vanaf het ontstaan van de christelijke kerk is er aandacht geweest voor de handhaving van kerkelijke orde, voor inrichting van de eredienst en voor de vervulling van de ambten. Na de reformatie zijn er grote verschillen ontstaan op dit gebied tussen protestanten en rooms-katholieken.

Verwijzingen naar boeken

Over de reformatie en de verhouding Rome - Reformatie zijn vele boeken verschenen. In deze categorie worden fragmenten uit boeken weergegeven die van belang zijn voor de wederzijdse beeldvorming tussen rooms-katholieken en protestanten (Komende tijd worden nog meer relevante boekfragmenten toegevoegd)

Overige relevante artikelen

In allerlei periodieken is geschreven over de verhouding Rome - Reformatie. In deze collectie een groot aantal artikelen die niet specifiek zijn toegewezen aan een bepaalde categorie.