Rechtvaardiging & heiliging

"Rechtvaardiging" Verklaring van het begrip rechtvaardiging door Prof. Severijn

De Waarheidsvriend - 26 september 1957

Ook het stuk der rechtvaardiging wordt, zoals wij reeds hebben opgemerkt, op verschillende wijze opgevat of uitgelegd.
Daarom heeft men te waken tegen afdwalingen, die steeds weer opduiken om toch ook de mens iets toe te schrijven en Gode niet de eer geven, waarop Hij alleen recht heeft. Zelfs orthodox klinkende uitdrukkingen kunnen worden besmet door verkeerde opvattingen.

Calvijn heeft er dan ook reeds op gewezen, dat men voornamelijk op twee dingen moet letten, n.l. , dat voor de Heere Zijn eer onaangetast en als het ware in ongeschonden staat blijve, en onze consciëntiën voor Zijn oordelen een kalme vrede en ongestoorde rust hebben", (Inst. III, J3. 1. Vert. Sizoo II, blz. 272). ,
Wat het eerste aangaat, de Schrift is rijk aan getuigenis, dat , de rechtvaardigheid Gods niet voldoende belicht wordt, tenzij Hij alleen voor rechtvaardig gehouden wordt en de genade der rechtvaardigheid mededeelt aan mensen, die het niet verdienen". (Vgl. genoemde plaats).
De rust der consciëntie (om tot het tweede over te gaan) , zullen wij op geen andere manier vinden, dan doordat de. onverdiende rechtvaardigheid ons door Gods gave wordt toegebracht". (Aangehaalde plaats III, 13. 3, Vert. Sizoo, blz. 274).
Het kan duidelijk zijn, dat de onwankelbare vastheid voor onze ziel alleen daarin gelegen kan zijn, dat wij geloven dat God zelf ons rechtvaardig verklaart en dat uit loutere genade. Wanneer toch zou de tijd komen, dat wij Gods weldadigheid verdiend hadden, als de zaligheid van onze verdiensten zou afhangen ?

Op drie uitdrukkingen willen wij de aandacht richten om ons zelf voor euvel en misleiding te bewaren in dit zo belangrijke geloofsstuk :

Uit genade in Christus door geloof.
Om met deze laatste maar te beginnen, velen zullen, naar het schijnt, met volledige instemming naar zij menen, de leuze der reformatoren verheffen : door het gelooi alleen, ofschoon zij toch dat geloof nog naar zich toe buigen, als werkte het geloof onze rechtvaardigheid voor God.
Er zijn ook wel teksten aan te wijzen, die het geloof van de mens schijnen te eisen, b, v. Hebr. 11 : 6 : Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen.
Gij zoudt zo zeggen, dat men toch minstens geloof moet meebrengen.
Bedenk echter, wat voor geloof het kan zijn, dat de mens meebrengt. Al zijn wij nog zo goddeloos, wij leven de ganse dag uit allerlei geloof, hetwelk zijn steunpilaren zoekt in allerlei menselijk ervaren, onderstellen en voor waar houden.
Indien wij ons eigen doen en laten in het leven van alle dag nagaan, kunnen ''wij zulks ontdekken en er zal een ganse drom van afgoden op het toneel van ons leven verschijnen, die wij allen in onze dienst hebben genomen.
Want dat is het onderscheid tussen heidendom en ware godsvrucht, dat de goden der heidenen zolang ere genieten, als zij de mens dienen, terwijl de waarachtige God in Zichzelf algenoegzaam is en gediend wordt.
Het geloof, waarin de Heilige Schrift ons onderwijst en leidt, is een gave Gods. Zover is het er vandaan, dat wij van ons zelf geloof zouden meebrengen om Gode te behagen.

Vlak bij deze verkeerde opvatting ligt een andere, die er onmiddellijk mee verwant is, n.l. deze, dat ons geloof de rechtvaardigheid zou werken en ons dus toch weer in de weg der werkheiligheid zou voeren. Zo spreekt men van het geloof als een instrument, waardoor wij de genade Gods aanne''men of deelachtig worden. Dit behoeft geen verkeerde zin (te hebben, als men de hantering van dat instrument maar in Gods hand laat en niet in de hand van de mens stelt. Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave, niet uit de werken, opdat niemand roeme. (Ef. 2 : 8 v, ).
Men ziet dus, dat men het geloof niet onder de goede werken kan rangschikken, zonder in strijd met de Schrift te komen,

Hoe de Schrift het geloof dan wil verstaan hebben ?
In 2 Cor. 13 : 5 lezen wij : Onderzoekt uzelf, of gij in het geloof zijt, beproeft uzelf.
Dit moet toch duidelijk zijn, dat de Schrift zo niet zou kunnen vermanen, indien het geloof een werk van de mens ware. Ik geloof, zou dan een eigenwillige daad van mijzelf zijn. Doch indien dat zo ware, behoefde niem-and te on­ derzoeken of hij in het geloof - was, daar hij het immers zelf gemaakt had.
Neen, in het geloof zijn, is verkeren in een geestelijke werkelijkheid, waartoe wij kunnen verwaardigd worden, óf, waar wij buiten staan. In die sfeer zijnde en levende, kunnen wij onderscheiding maken tussen onze eigenwilligheid en tussen, wat uit het geloof is, d.w.z. wat uit het geloof opkomt.
In die geestelijke werkelijkheid is het geloof werkzaam en wij (zo wij in het geloof zijn) worden uit dat geloof en door dat geloof werkzaam. Wij worden er bij betrokken, heel nauw. Het is ons geloof geworden. Wij geloven.
Letten wij er ook op, hoe de apostel verder gaat over dat onderzoek, of wij in het geloof zijn : beproeft uzelven, of kent gij uzelf niet, dat Christus in u leeft ? Ziet, dat wij niet ten onrechte gesproken hebben van een geestelijke werkelijkheid.
Onderzoeken, of wij in het geloof zijn, is beproeven, of Christus in ons leeft.
Dat wil derhalve zeggen, dat wij kennis moeten dragen van een leven in onszelf zonder Christus, en van een leven met Christus. En als wij dat kennen, weten wij ook, of wij in het geloof zijn, want wij kunnen Christus in ons leven alleen kennen door het geloof.

Waarom ? Hoe dat dan is ?
Omdat het geloof een gave Gods is, welke aan de gemeenschap met de dingen, die des Geestes Gods zijn, gepaard gaat, en die aan die geestelijke werkelijkheid gestalte geeft. Zo neemt ook Christus gestalte in ons aan, als Hij door Zijn Woord en Geest ons betrekt bij die hemelse zaken. En, als Christus in ons gestalte aangenomen heeft, weten wij, dat wij in het geloof zijn, omdat wij buiten het geloof zonder het geloof Zijn gestalte niet kennen.
Het geloof maakt ons dus werkzaam, omdat het ons laat zien in de dingen, die niet gezien worden, maar dit geloof is geen werk van de mens. Naarmate het geloof toeneemt in klaarheid, kunnen wij wel trappen des geloofs onderscheiden, en dat doen de mensen ook wel, maar de groei en toeneming des geloofs komt op uit de werkingen der geestelijke dingen, waarop het geloof betrekking heeft en naar de mate van de gave Gods, die ons gegeven is.
Uit deze uiteenzetting kan ook duidelijk geworden zijn, dat het geloof een vaste grond wordt genoemd der dingen, die men hoopt en een bewijs der zaken, die men niet ziet. (Hebr, 11 : 1),

Het geloof is daarom een vaste grond, omdat het openbaring is van het werk, dat God in Zijn Raad heeft voorgenomen ten aanzien van de wereld en haar toekomst, van de mens en zijn bestemming — en dat in betrekking tot ons zelf.
Het geloof komt uit die vaste grond voort, het geloof is een levenskracht uit die wereld, die niet gezien wordt. Het is niet maar een bode uit die oorden, zoals het Woord Gods, maar de geestelijke dingen nemen gestalte aan in het geloof.
Vandaar de spreekwijze: leven uit het geloof, d, i, leven uit de geestelijke dingen, zoals die in het geloof gestalte hebben aangenomen en bij Gods kinderen hier op aarde aanneinen.
Als nu ook het werk der rechtvaardigmaking, dat is een goddelijk werk.
gestalte verkrijgt in ons, dan laat het geloof ons in dat werk zien. Dan wordt het gezien in de genadegifte Gods, welke is Christus Jezus, met meerdere of mindere klaarheid, maar eindelijk wordt het gezien, voortkomende uit de verkiezende liefde Gods en ook dat met betrekking tot ons zelf.
In die Raad Gods ontdekt ons het geloof tevens aan de vaste grond, - waarin het ook zijn zekerheid vindt.
In dit licht hebben we de Schrift te verstaan, als zij spreekt van degenen, die uit het geloof zijn. (Gal. 3 : 7-9). Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het gelooi. (Rom. 5:1). Al wat uit het geloof niet is, dat is zonde. (Rom. 14 : 23).
Het geloof zet ons over in de wereld van de Godsopenbaring en betrekt ons bij, de grote werken Gods in de Heere Jezus Christus. .
Door het geloof verkrijgen wij deel aan deze dingen en dragen wij daarvan door genade kennis in onszelf.

In Christus. Alle weldaden van Gods genade, gerechtigheid, heiligheid en heerlijkheid in Jezus Christus.
De Evangeliën geven ons een klaar beeld van de Heere Jezus Christus en van Zijn werk op aarde. Zij stellen ons voor een Christus, die door geboorte uit een vrouw ons vlees en bloed heeft willen aannemen naar de gelijkheid des zondigen vleeses, d.w.z. dat Hij het oordeel der zonde en de straff.e des doods, die op ons geslacht rusten, op Zich heeft willen nemen, hoewel Hij geen zonde gekend of gedaan heeft.
In zulk een gemeenschap getreden zijnde met ons geslacht, is Hij bereid geweest in onze plaats alle gerechtigheid te vervullen, die bij God te vervullen was, en de gehoorzaamheid te brengen, welke wij schuldig zijn voor God. Een gehoorzaamheid, welke wij in hoogmoedige zelfmisleiding en opstand tegen God, de Heere, in onze eerste voorouders hebben geweigerd te brengen — en waartoe wij na de val in zonde en oordeel ook niet meer bij machte zijn, al zouden wij nog zo gaarne willen.

Er zijn situaties in het leven, waarin wel een weg is van A naar B, maar niet van B naar A. Er is een weg van de wieg naar het graf, maar niet terug van het graf naar de wieg. Zo is er een weg van de staat der gerechtigheid naar die van ongerechtigheid, maar niet andersom. Men kan de daad van ongerechtigheid niet terug nemen, zo min als men een woord, dat uit de mond is uitgegaan, weer kan inslikken.
Ziedaar onze zondestaat.
En nu heeft Christus niet de onmogelijke weg terug gebaand, maar Christus in Zijn goddelijke liefde, wijsheid en macht is de weg van ons oordeel, van onze dood, schoon vlekkeloos rein in Zichzelf, rechtdoor gegaan, door onze dood heen, om door de kracht Zijner opstanding de anders verloren mens te herscheppen tot een nieuwe mens in gemeenschap aan Zijn goddelijke natuur.

Zo hebben wij verstaan, dat die nieuwe mens in gerechtigheid, heiligheid en heerlijkheid in Hem is. En de vraag, welke ons bezighoudt, is immers deze : Hoe krijgen wij deel aan die nieuwe mens in Hem?
Wij zijn nog altijd bezig met het antwoord : door het geloof alleen, nader te overdenken, In het stuk over het geloof, hebben wij gevonden, dat het geloof de nieuwe gerechtigheid, welke immers de onze niet is, niet werkt, maar, dat God de Heere ons door het geloof die gerechtigheid deelachtig maakt.
Wij staan dus in alles, wat de verwerving dier gerechtigheid en wat haar toebedeling betreft, voor het genadewerk van de D''rieënige God.
De Schrift leidt ons echter nog dieper in de goddelijkheid van dat werk in en schenkt ons boven de duidelijke voorstelling van de Evangeliën uit, mededeling uit Zijn eeuwige Raad. Wij slaan b.v. de brief aan de Efeziërs op, het eerste hoofdstuk, en lezen o.a. in vs. 4 : gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem vóór de grondlegging der wereld. Vs. 5 : Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil. Vs. 6 : door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde, Vs. 7 : in Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, om slechts enkele verheven en betekenisvolle zinsneden in herinnering te brengen.
Daar, in de Raad Gods, in het goddelijk overleg vóór de grondlegging der wereld, werd het goddelijk genadewerk alzo in de Christiis voorgenomen en besteld overeenkomstig de wil des Vaders en zijn de Zoon en de Geest bereid geweest die te volbrengen. Zo ligt dan ook de ganse gemeente, welke de Heere heeft verkoren, in de Christus, wijl Hij tot haar Hoofd is gesteld, gelijk ook de Schrift getuigt: Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen. (Efeze 2 : 10).

Vanuit dit gezichtspunt der openbaring aangaande deze dingen, kunnen wij enigermate duidelijker leren inzien, hoe dwaas het is ook maar aan enige gerechtigheid en heerlijkheid in ons zelf te willen vasthouden als de onze, hoe dwaas ook te onderstellen, dat er nog enig werk van ons zelf bij kan, alsof ergens nog enige beslissing van ons willen en geloven de laatste verdienste aan ons zelf zou kunnen brengen.
Veeleer is het geloof genadige mededeling uit de volheid van Christus^ waarin ook onze verkiezing en taligheid begrepen zijn.

Ten. slotte, en daarmede komen wij tot het eerste punt: uit genade, kan het niet moeilijk zijn in het licht van deze dingen te verstaan, dat wij alleen uit genade gerechtvaardigd worden en dat alleen de Drieënige God de ere, de lof, de dankzegging en de aanbidding toekomt voor zulk een betoning Zijner goedertierenheid. ,

Relevante artikelen uit diverse bronnen

Collecties in categorie

Algemeen

In deze collectie verschijnen algemene berichten over de verhouding rooms-katholieken en protestanten die niet in een specifieke collectie thuishoren.

Wat is katholiek?

In de volksmond wordt het woord katholiek meestal gebruikt als een synoniem voor de Rooms-Katholieke kerk. Dit is niet juist. In deze collectie wordt duidelijk gemaakt wat het onderscheid is. De formele betekenis van het woord katholiek is universeel of algemeen.

Wat is rooms-katholiek?

Rooms-katholiek is niet hetzelfde als katholiek. Rooms-katholieken zijn volgelingen die de leer van Rome aanhangen. Katholieken zijn christenen bij wie Christus centraal staat in hun geloofsleven.

Wat is protestant?

De protestanste kerken zijn ontstaan na de Reformatie. De bekendste reformatoren waren Luther, Calvijn en Zwingli. Nadat de rooms-katholieke kerk afstand genomen had van de standpunten der reformatoren tijdens het Concilie van Trente, zijn de protestantse kerken ontstaan. In de loop der jaren zijn dat in Nederland, door kerkscheuringen, verschillende denominaties geworden, zoals, Protestantse Kerk in Nederland, Hersteld Hervormde Kerk, Gereformeerde Gemeenten, Christelijk Gereformeerde Kerk en nog andere.

Vijf sola's

In de Reformatie is met name opgeroepen om terug te gaan naar de echte kenmerken van de Vroege Kerk. Met name de mistoestanden in de vorm van aflaten, goede werken en heiligverklaringen werden aan de kaak gesteld. Daartegenover werden, op de Bijbel gebaseerde, waarheden zoals het Woord, genade, geloof, Christus en de glorie van God op de voorgrond geplaatst.

Rechtvaardiging & heiliging

Luther ontdekte bij de bestudering van de brief aan de Galaten hoe zondige mensen rechtvaardig voor God kunnen worden. Hij ontdekte hierin dat hetgeen geleerd werd door Rome in tegenstelling was met hetgeen Gods Woord hierover zegt. De Bijbel zegt dat we alleen door het geloof in Jezus Christus gerechtvaardigd kunnen worden.

Belijdenisgeschriften

Zowel de kerken van de Reformatie als de rooms-katholieke kerk hebben belijdenisgeschriften. Bij de Nederlandse protestantse kerken moet dan met name gedacht worden aan de Heidelbergse Catechismus, de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels. Bij de Rooms-Katholieke kerk kennenwe de Cathechismus van de Rooms-Katholieke kerk, diverse pauselijke encyclieken en besluiten van concilies.

Kerkorde, liturgie en ambten

Vanaf het ontstaan van de christelijke kerk is er aandacht geweest voor de handhaving van kerkelijke orde, voor inrichting van de eredienst en voor de vervulling van de ambten. Na de reformatie zijn er grote verschillen ontstaan op dit gebied tussen protestanten en rooms-katholieken.

Verwijzingen naar boeken

Over de reformatie en de verhouding Rome - Reformatie zijn vele boeken verschenen. In deze categorie worden fragmenten uit boeken weergegeven die van belang zijn voor de wederzijdse beeldvorming tussen rooms-katholieken en protestanten (Komende tijd worden nog meer relevante boekfragmenten toegevoegd)

Overige relevante artikelen

In allerlei periodieken is geschreven over de verhouding Rome - Reformatie. In deze collectie een groot aantal artikelen die niet specifiek zijn toegewezen aan een bepaalde categorie.