Terug naar overzicht

Rooms-Katholiek
Kerkleer

Waarom het vagevuur volgens Rome nog vol zit

Reformatorisch Dagblad | Maarten Stolk

31 OKT 2024

162597_33e7d54b36

Terug naar overzicht

Het vagevuur bestaat 750 jaar. Officieel dan: het Tweede Concilie van Lyon stelt in 1274 de leer over de louteringsplaats voor gestorven zielen vast. Maar het purgatorium heeft oudere papieren.

Het moet maar eens afgelopen zijn met de kerkelijke verdeeldheid, vinden de wereldheersers in de dertiende eeuw. De christelijke kerk is in 1054 pijnlijk gescheurd, onder andere vanwege de positie van de paus, het celibaat en andere theologische geschillen. Paus Gregorius X zit het veertiende oecumenische concilie van de Katholieke Kerk, dat in 1272 begint, in eigen persoon voor. Honderden bisschoppen en andere geestelijken buigen zich onder zijn leiding over de grote vragen van die tijd: kerkelijke eenwording en de strijd in het Heilige Land. Maar ook over de excommunicatie van mensen die handel drijven met vijandige mogendheden – piraten en kapers. En dus over het vagevuur.

De concilievaders vinden het belangrijk om leerstellig de puntjes op de i te zetten. Het vagevuur neemt in de geloofsbeleving van veel christenen een steeds belangrijkere plaats in. Het voorziet in de behoeften van de gewone gelovigen, die zich niet langer tevreden stellen met de tegenstelling tussen hemel en hel. Het vagevuur (in het Latijn ”purgatorium”, een plaats van reiniging) wordt volgens de Franse historicus Jacques Le Goff vooral tussen 1160 en 1180 populair, al bestaat de gedachte dat geredde mensen na hun dood tijdelijk op een plek tussen hel en hemel verblijven om gezuiverd te worden, al langer.

Veel kerkvaders spreken al hun vermoeden uit over het bestaan van een vagevuur. In 1 Korinthe 3:10-15 zegt de apostel Paulus immers dat op de dag des oordeels een vuur iemands werk zal beproeven. Als dit werk verbrandt, wordt een christen wel behouden, maar „als door vuur” heen. En in het –voor protestanten apocriefe– boek 2 Makkabeeën 12:40-44 bidden Joden dat de zonden van de overledenen worden vergeven, terwijl Judas de Makkabeeër voor de doden een zoenoffer opdraagt. Gaat het hier niet om een plek waar een louterend vuur de schuld van de begane, maar vergeven zonde zuivert?

Vuur

Het concilie is, mede vanwege de oosters-orthodoxe afgevaardigden, terughoudend om de leer van het vagevuur al te veel in te kleuren. Thomas van Aquino , die onderweg naar Lyon overlijdt, heeft daar minder moeite mee. Hij denkt dat het vagevuur dicht bij de hel ligt, zodat hetzelfde vuur dat de verdoemden kwelt, de rechtvaardige zielen reinigt voordat ze naar de hemel gaan.

Maar de kerk zwijgt over tijd en plaats. Ze spreekt alleen uit dat christenen die nog geen genoegdoening hebben gekregen voor hun zonden, na de dood worden gereinigd door „zuiverende” straffen. Zulke zielen hebben baat bij de offers, gebeden en aalmoezen van de levenden, verricht volgens de voorschriften van de kerk. Over de plaats van het purgatorium, en of daar vuur brandt, wordt verder niets gezegd. Ook niet over de duur van de zuivering.

Latere pausen onderstrepen dat. De term purgatorium duidt „niet op een plaats, maar op een toestand van bestaan”, zegt Johannes Paulus II in 1999. „Zij die na de dood in een staat van zuivering bestaan, zijn reeds in de liefde van Christus die de resten van onvolmaaktheid van hen verwijdert. Het is noodzakelijk om uit te leggen dat de staat van zuivering geen verlenging van de aardse toestand is, bijna alsof men na de dood een nieuwe mogelijkheid krijgt om zijn bestemming te veranderen.”

Owein

Dat is dan wel de officiële kerkleer, in de beleving van gewone christenen is het vagevuur wel degelijk een concrete plaats met een langdurige pijniging. Le Goff bespreekt in zijn boek ”La naissance du Purgatoire” (De geboorte van het purgatorium) een traktaat uit het einde van de twaalfde eeuw, waarin een monnik de reis van de Ierse ridder Owein door het vagevuur beschrijft. De ingang van de louteringsplaats is St Patrick’s Purgatory, op een eiland in Lough Derg, Ierland, waar een pelgrimskerk de herinnering nog altijd levend houdt.

Het verhaal gaat dat ridder Owein na een biecht wil boeten voor zijn zonden. Hij vertrekt naar St Patrick’s Purgatory, waar vijftien in het wit geklede monniken hem adviseren om in geval van nood de Naam van Jezus Christus aan te roepen. Niet veel later wordt Owein door demonen besprongen, vastgebonden en in het vuur geworpen. Maar als de Ierse ridder zich tot Christus wendt, wordt hij bevrijd.

De reis gaat over verschillende vlaktes, waar zielen de ergste martelingen ondergaan. Een grote, vurige en stinkende rivier vol demonen biedt toegang tot de hel. Een smalle en gladde brug is de enige manier om over te steken. Wanneer Owein de Naam van Jezus aanroept, wordt de brug breed genoeg om veilig naar de overkant te gaan. Daar ligt het aardse paradijs, een land vol bloemen, zoete geuren en vreugde, een rustplaats voor zielen die gezuiverd zijn in het vagevuur, gereed om naar de hemel te gaan. Op de top van een hoge berg kan Owein de poorten van het eeuwige Jeruzalem al zien.

Mocht de lezer de boodschap van het traktaat toch nog over het hoofd zien, dan maken de twee bijgevoegde preken die wel duidelijk: vermijd de pijn in het vagevuur, bid voor de doden die zich daar bevinden en gedenk het geluk van de heiligen in de hemel.

Dante

De bekendste beschrijving van het purgatorium –de overeenkomsten met de ”Verhandeling over het vagevuur van Saint Patrick” zijn opvallend– is van de Italiaanse dichter Dante Alighieri, die in het jubeljaar 1300 een denkbeeldige tocht door drie rijken in het hiernamaals maakt: hel, louteringsberg en paradijs. In de ” Divina commedia ” (”Goddelijke komedie”), een dichtwerk dat uit ruim 14.000 verzen bestaat, tekent hij het vagevuur als een kegelvormige louteringsberg op een eiland, midden in de zee. Op deze plek verblijven berouwvolle zondaars, die treuren en boete doen. Maar ze zijn niet voor eeuwig verdoemd: na hun loutering mogen ze naar de hemel.

De geestelijke reis van Dante gaat langs zeven omgangen, genoemd naar de zeven hoofdzonden: trots, afgunst, toorn, traagheid, hebzucht, vraatzucht en onkuisheid. De Florentijnse dichter ontmoet trotsen, gebukt onder zware rotsblokken. Gulzigaards zijn zo mager als een lat en lijden honger en dorst; de ogen van de afgunstigen zijn met ijzerdraad dichtgenaaid.

Maar hoe hoger de reiziger komt, hoe liefelijker het landschap wordt: kabbelende beekjes, zoete geuren, kleurige bloemen. Op de top van de louteringsberg bevindt zich het aards paradijs, het voorportaal van de hemel. Daar is Dante genoeg „gelouterd en klaar om op te stijgen naar de sterren”.

Dit leert Rome over vagevuur en aflaat

De Catechismus van de Katholieke Kerk (2023) leert over de „laatste loutering” of het vagevuur (1030-1032): „Zij die sterven in de genade en de vriendschap van God, maar nog niet volkomen gelouterd zijn, ondergaan, hoewel ze al van hun eeuwig heil verzekerd zijn, na hun dood een loutering ten einde de noodzakelijke heiligheid te verwerven om in de vreugde van de hemel te kunnen binnengaan. De kerk noemt deze laatste loutering van de uitverkorenen, die geheel verschillend is van de straf van de verdoemden, vagevuur. (…)

Vanaf de eerste tijden heeft de kerk de nagedachtenis van de overledenen geëerd door voor hen voorbeden te verrichten en vooral door voor hen het offer van de eucharistie op te dragen, opdat zij na gelouterd te zijn kunnen komen tot de gelukzalige aanschouwing van God. De kerk beveelt ook aalmoezen, aflaten en werken van boetvaardigheid aan ten gunste van de overledenen.”

Over deze aflaten staat in de catechismus (1471-1479): „De aflaat is de kwijtschelding ten overstaan van God van tijdelijke straffen voor zonden die, wat schuld betreft, reeds vergeven werden. (…) Iedere gelovige kan aflaten (…) voor zichzelf verkrijgen of op overlevenden toepassen.”

„Ook de overleden gelovigen, die zich in de louteringstoestand bevinden, zijn leden van de ene gemeenschap der heiligen” - Catechismus van de Katholieke Kerk, artikel 1479

„Aangezien ook de overleden gelovigen, die zich in de louteringstoestand bevinden, leden zijn van de ene gemeenschap der heiligen, kunnen wij ze, onder andere door voor hen aflaten te verkrijgen, helpen bij het uitboeten van tijdelijke zondestraffen.”

Luther en Calvijn

De zestiende-eeuwse reformatoren Maarten Luther en Johannes Calvijn zijn bepaald niet blij met de katholieke leer over het vagevuur. In de 95 stellingen tegen misstanden in de kerk, die Luther op 31 oktober 1517 publiceert, schrijft hij: „Onwetend en slecht handelen die priesters die voor stervenden kerkelijke boetedoeningen bewaren, tot in het vagevuur toe” (10). „Dit onkruid, dat men kerkelijke straffen verandert in straffen in het vagevuur, is zonder twijfel gezaaid toen de bisschoppen sliepen” (11). „De paus doet er zeer goed aan de zielen in het vagevuur vergeving te schenken, niet op gezag van zijn sleutelmacht (want die heeft hij helemaal niet) maar in de weg van de voorbede” (26). „Zij preken menselijk die zeggen dat de ziel uit het vagevuur opspringt zodra de munt in de kist klinkt” (27).

Op het moment dat Luther zijn stellingen poneert, wil hij het vagevuur en de voorbede voor de doden nog niet helemaal prijsgeven. Maar duidelijk is bij de Duitse kerkhervormer wel: niet de paus, maar alleen God beschikt over het hiernamaals.

Later, in de Schmalkaldische Artikelen (1537), neemt Luther steviger stelling tegen de leer van het vagevuur: die kan niet anders dan als „duivelswerk” worden beschouwd, omdat „alleen Christus” en niet het werk van mensen zielen kan helpen (II,2).

„Het vagevuur is opgetrokken uit vele godslasterlijke bouwstenen” - Johannes Calvijn, reformator

Calvijn laat in zijn ”Institutie” (Boek 3, hoofdstuk 5.6-10) uit 1559 geen spaan heel van de leer van het vagevuur, die volgens hem is opgetrokken uit „vele godslasterlijke bouwstenen”. Rome verdraait de Schrift op „onkundige wijze” om het bestaan van het purgatorium te bewijzen, vindt de reformator uit Genève. „Wanneer de verzoening door de zonden ergens anders gezocht wordt dan in het bloed van Christus, wanneer de genoegdoening op een ander wordt overgedragen, dan wordt zwijgen hoogst gevaarlijk.”

Afbeelding:  Een engel wijst de zielen die in het vagevuur worden gezuiverd op de voorbede van de heiligen. beeld Wikimedia.